Subsidie voor onthardingsprojecten voor een kwalitatievere school en omgeving

Wat zijn onthardingsprojecten ‘school en omgeving’?

Bij een onthardingsproject voor ‘school en omgeving’ heb je een concrete ontharding voor ogen waarbij wordt ingezet op het klimaatrobuuster maken en het verhogen van de omgevingskwaliteit van scholen. 

Een ‘school’ wordt in deze deeloproep breed opgevat: (hoger) onderwijsinstituut, individuele school, samenwerkingsverband tussen scholen of scholengroepen;
We kennen allemaal wel een Vlaamse school met een sterk verharde speelplaats of een hoger onderwijscampus met overmaatse infrastructuur en veel parking. Grote oppervlakten aan verharde speelplaatsen werden tot voor kort vaak aangelegd vanuit een klassiekere visie op buiten spelen, en op de campus kon de auto tot voor elke deur rijden. Binnen een veranderende maatschappij en nieuwe visies op onderwijs en de omgeving waarin we allerlei zaken (aan)leren kunnen deze grote oppervlakten van verharding in vraag gesteld worden. Dit niet alleen vanuit het besef dat de buitenruimte en omgeving meer en meer als een evenbeeld of verlengde van het leslokaal of het auditorium gezien kunnen worden, maar ook vanuit vernieuwde inzichten op vlak van leefbaarheid, omgevingsveiligheid, waterbeheer, biodiversiteit, mobiliteit en de psychologische voordelen van groenere omgevingen. 
Zowel leerlingen, studenten, onderwijzers, directies, allerhande personeel als ouders komen vandaag in contact met erg verharde onderwijsomgevingen. Het kwalitatief ontharden van schoolterreinen en onderwijscampussen en hun omgeving beïnvloedt zo een groot deel van onze maatschappij en draagt sterk bij tot het bouwen aan een onthardingscultuur waarin ontharden en minder verharden niet langer een uitzondering, maar de gewone gang van zaken wordt. Het gaat hierbij niet enkel om de ontharding van het eigen terrein, maar ook om het toegankelijk(er) maken van deze ruimten door meervoudig ruimtegebruik, het openstellen naar de buurt en het mee aanpakken van de omgeving. Zo kan de ontharding ook antwoord geven aan lokale groentekorten, bijdragen aan het mitigeren van hitte-eiland effecten, en verbeteren van de luchtkwaliteit… We ontharden dus niet alleen voor meer aangename groene en klimaatrobuustere school en onderwijsomgevingen, maar ook voor meer leefbaarheid.

Enkele voorbeelden:

  • een school wil haar parkeerterrein of speelplaats ontharden en zo de kwaliteit en biodiversiteit op en rond haar terreinen verhogen
  • een hoger onderwijsinstituut zet in op het ontharden van zijn terreinen in de stad en ook op het openstellen ervan om zo het tekort aan publiek groen op te vangen
  • een school wil samen met de ruime buurt een veiligere en groenere schoolomgeving realiseren en onthardt naast het eigen terrein ook enkele routes naar de school om de kwaliteit ervan te verhogen en zo het naar school komen te voet en met de fiets mee te stimuleren
  • een scholengroep vraagt een project aan om via pilootprojecten rond ontharding te werken aan een visie over zijn eigen beleid rond de transformatie van bestaande schoolterreinen en hun omgeving, maar ook over hoe nieuwe scholen hier proactief aan kunnen werken
  • een burgerinitiatief van ouders engageert zich samen met de school en buurt om de schoolomgeving leefbaarder en verkeersveiliger maken en zet in samenwerking met de gemeente een actieplan op voor het ontharden van de schoolstraten 
  • twee naburige scholen willen samen hun terreinen ontharden en door het meervoudig gebruik en delen van ruimten tussen beide, de vraag naar verharde ruimte verkleinen
Wie kan een project indienen?

Lokale overheden, (burger)verenigingen en organisaties kunnen een project indienen.  De subsidieoproep is dus  niet voor particulieren bestemd.  Zij kunnen wel een project indienen dat voldoet aan de gestelde voorwaarden wanneer ze zich verenigen in een vzw of feitelijke vereniging.

Een project wordt aangevraagd door één organisatie, vereniging... Er wordt telkens één contactpersoon aangeduid die zorgt voor de coördinatie van het project, de afspraken met de betrokken actoren en een coherente deelname aan de verschillende ondersteuningsmomenten en workshops. Aan deze trekker wordt het subsidiebedrag uitbetaald. De aanvrager engageert zich om actief deel te nemen aan het onthardingstraject en de workshops die in dit kader worden georganiseerd.

Onder lokale overheden wordt verstaan: 

  • gemeenten
  • steden
  • provincies
  • samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, steden en/of provincies
  • een OCMW, lokale vereniging (vzw) of Regionaal Landschap in naam van een of meerdere lokale overheden 
  • een lokale overheid in eigen naam in samenwerking met burgers, organisaties, enz. 

Onder verenigingen en organisaties wordt verstaan:

  • tijdelijke vennootschappen
  • feitelijke verenigingen
  • vzw’s
  • bedrijven en instituten (hebben een ondernemingsnummer)
  • lokale vestigingen van een bedrijvengroep in eigen naam 
  • (hoger)onderwijsinstituten, scholen, samenwerkingsverbanden tussen scholen of scholengroepen 

Vlaamse instellingen en overheden kunnen participeren in samenwerkingsverbanden, maar niet als aanvrager een project indienen.

Enkele voorbeelden

  • stad X 
  • stad X of gemeente Y heeft een ad hoc samenwerking met de gemeente Z, en dient hier als trekker een intergemeentelijk project in
  • de intercommunale A dient één intergemeentelijk projecten in waar de stad X, gemeente W en gemeente Z bij betrokken zijn
  • stad X doet mee als partner aan een project getrokken door de provincie B waarin naast gemeente X ook nog W, Z, V en Y aan participeren. Gemeente X kan ook nog een individueel project indienen voor bijvoorbeeld eigen gronden
  • het OCMW van gemeente Z kan een project indienen in naam van de gemeente Z. De gemeente op zich kan dan zelf nog één project indienen voor één of meerdere deeloproepen, en ook nog deelnemen aan intergemeentelijke projecten getrokken door bijvoorbeeld de intercommunale A en/of de provincie B
  • het OCMW van gemeente Z kan een project in eigen naam indienen. 
  • de vzw Q kan in naam van de stad Y een project indienen binnen de oproep voor lokale overheden. Y kan dan zelf voor die deeloproep geen project meer indienen, maar wel voor de twee andere deeloproepen een project indienen, en nog participeren in intergemeentelijke projecten
  • de vzw Q kan een individueel project in eigen naam indienen
  • school X kan een project indienen in eigen naam en deelnemen aan een project van scholengroep Y. Scholengroep Y kan daarnaast zelf als partner in meerdere projecten deelnemen
  • een groep burgers kan zich (tijdelijk) verenigen en als burgercoöperatie, straatcomité,  enz.  in de vorm van een feitelijke vereniging of vereniging met rechtspersoonlijkheid, een project indienen
  • studiebureaus, architecten en stedenbouwkundigen kunnen een project indienen als onderneming of samenwerkingsverband
  • bedrijven, bedrijvenzetels of organisaties die bedrijven verenigen kunnen subsidies aanvragen
  • een lokale sportclub kan, los van het lidmaatschap van federatie, een project indienen
  • een regionaal landschap kan in eigen naam of in naam van meerdere gemeenten een project indienen. In het laatste geval kunnen de betrokken gemeenten voor diezelfde deeloproep geen project meer indienen
  • een sociale huisvestingsmaatschappij kan een project indienen 
  • middenveldorganisaties kunnen een project indienen
Hoeveel projecten kan je indienen?
  • een lokale overheid, (burger)vereniging of organisatie mag als aanvrager maximaal één project indienen per thematische deeloproep
  •  er is geen beperking van het aantal projecten waaraan men als partner kan deelnemen
  • een project kan maar door één doelgroep en voor één thematische deeloproep worden ingediend 
  • ruimtelijk en thematisch samenhangende projecten worden als één project gezien.
Waaraan moet een onthardingsproject voldoen?
  • Het project past binnen de doelstellingen van de strategische visie van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Het draagt bij aan een omslag in ruimtegebruik. De projecten stimuleren de transformatie van ruimtes die reeds verhard zijn en/of een harde bestemming hebben, en gaan zo verdere verharding tegen in het licht van de grotere maatschappelijke uitdagingen op het vlak van klimaat, demografie, mobiliteit of energie.
  • De uitvoering van het project mag nog niet gestart zijn. Ook de aanbesteding van de uitvoering van de werken voor het voorgestelde project mag nog niet gebeurd zijn.
  • Het project duurt maximaal drie jaar en start binnen de 4 maanden nadat je de goedkeuring van de minister hebt ontvangen.

Aan te houden tijdspad voor projecten door een lokale overheid, vereniging of organisatie: 

  • uiterlijk één jaar na de opstart
    • is het project zichtbaar op het terrein via een ruimtelijke ingreep, fysisch testproject of participatieve/communicatieve actie met betrekking tot ontharding ter plaatse
    • is er een uitgewerkt en gedragen projectdossier
  • uiterlijk in het tweede jaar na de opstart 
    • zijn het bijhorend uitvoeringsdossier en de vergunningsaanvragen ingediend en ontvankelijk en volledig verklaard indien van toepassing
  • uiterlijk drie jaar na de opstart 
    • is de effectieve ontharding op het terrein gerealiseerd en is - indien van toepassing - de heraanleg aangevat

Aan te houden tijdspad voor projecten door burgerverenigingen:

  • uiterlijk één jaar na de opstart is het project zichtbaar op het terrein via een ruimtelijke ingreep, fysisch testproject of participatieve/communicatieve actie met betrekking tot ontharding ter plaatse
  • uiterlijk drie jaar na de opstart
    • is er een formele samenwerkingsstructuur opgezet rond een (gedragen) onthardingsproject met een uitgewerkt projectplan en financieel plan
    •  zijn het bijhorend uitvoeringsdossier en de vergunningsaanvragen ingediend en ontvankelijk en volledig verklaard indien van toepassing
Hoeveel bedraagt de subsidie?
  • De subsidie voor proeftuinen ontharding ‘school en omgeving’ bedraagt minstens 50.000 euro en maximaal 250.000 euro
  • De subsidie bedraagt maximaal 75% van de totale projectkost (excl. btw) na aftrek van andere Vlaamse subsidies voor hetzelfde onthardingsproject. Alleen zaken die wettelijk niet al verplicht zijn, komen in aanmerking voor subsidie.
Welke kosten komen in aanmerking?

De subsidie gaat bij voorkeur hoofzakelijk naar effectieve ontharding. 

Komen wel in aanmerking

  • kosten die gemaakt worden binnen de termijn van uitvoering van het project
  • directe kosten als onderdeel van het project gekoppeld aan de uitvoering van het ontharden op het terrein:
    • investeringskosten
    •  werkingskosten
  • kosten voor studies, visievorming en planning, inventarissen, monitoring en sensibilisatieprojecten, projectcoördinatie, enz. 
  • btw: uitsluitend voor het niet-terugvorderbare en niet-recupereerbare gedeelte.                                 

Komen niet in aanmerking

  • overheadkosten: kosten die men, zij het in mindere mate, ook zou hebben als het project niet zou worden verwezenlijkt, omdat die hoe dan ook moeten worden gedragen om dagdagelijkse activiteiten uit te voeren. Het gaat hier o.m. om onderhoudskosten van gebouwen en infrastructuur, en kosten voor verwarming, verlichting, gas, water, elektriciteit, telefoon, internet en verzekeringen.                                                    
  • boetes, financiële sancties, schulden en gerechtskosten 

Opmerking: de totale kostprijs van het project = de kosten van alle acties die voor subsidiëring in het kader van de oproep worden ingediend. De kosten van het project waarvoor je ook andere Vlaamse subsidies ontvangt, geef je hier volledig aan. Deze worden afgetrokken van de uiteindelijk toegekende subsidie als zij voor dezelfde onthardingsdoelstelling worden aangewend.

Investeringskosten

Investeringskosten zijn uitgaven voor het fysiek ontharden en (her)inrichten van het terrein. Aankopen van een goed vanaf 1.000 euro (incl. btw) per eenheid zijn investeringskosten. 
Volgende aankopen zijn, ongeacht het bedrag per eenheid, altijd een investeringskost:                                                  

  • planten en bomen voor de (her)inrichting                      
  • straatmeubilair en rollend materiaal
  • activa in aanbouw
  • speciale software
  • bouw- en inrichtingsmaterialen (alleen kosten initiële aanleg of aankoop zijn investeringskosten)

Werkingskosten

Als werkingskosten worden alleen kosten aanvaard die rechtstreeks betrekking hebben op het project en aldus ook verifieerbaar zijn. Het zijn m.a.w. kosten en uitgaven die zonder het project niet zouden gemaakt zijn.  

Komen in aanmerking als werkingskost                                             

  • de rechtstreeks aan het project verbonden uitgaven voor verbruiksmaterialen, hulpgoederen, grondstoffen en gereedschappen waarvan de verwachte levensduur de duur van het contract niet overschrijdt (bijvoorbeeld papier, inkt, batterijen…)
  • de prestaties die door externen (derden) in het kader van het project worden geleverd, voor studies, visievorming en planning, inventariseren, en sensibilisatieprojecten… ; bijvoorbeeld voor de uitbesteding aan een architect of stedenbouwkundige
  • huur die aan derden moet worden betaald voor het gebruik van gebouwen, lokalen
  • apparatuur en infrastructuur
  • kilometervergoedingen voor opdrachten in het kader van het project, in die mate dat zij de fiscaal aanvaarde bedragen niet overschrijden                                               

Komen niet in aanmerking als werkingskost                                    

  • afschrijvingskosten voor het gebruik van bestaande, reeds aanwezige infrastructuur (gebouwen, materieel, installaties, meubilair en rollend materieel…)                   
  • restaurantkosten                        
  • interne huuraanrekening. Dat is een huurprijs die een aanvrager zichzelf aanrekent om gebouwen en infrastructuur ter beschikking te stellen waarvan hij al eigenaar of huurder is in het kader van activiteiten die geen betrekking hebben op het project. 

Projectbegroting

Alle kosten die werden gemaakt in het kader van het project, moeten worden opgenomen in de projectbegroting. Naast een onderscheid in ‘investeringskosten’ en ‘werkingsmiddelen’ moet ook een onderscheid gemaakt worden naargelang het begrotingsonderdeel waartoe de kosten behoren, zijnde:

  • actie ontharden (kost van het afbreken, uitbreken…   herbestemmen)
  • verwerking materiaal  (de verwerking van het uitgebroken materiaal: bv. afvoer, verwerking, hergebruik…)
  • inrichting groen (bv. bomen, planten…)
  • inrichting ander (bv. bankje, verlichting, speeltuig…)
  • proces: (kosten voor het (ontwerp)proces, communicatie en participatie)

            
Het grootste deel van de projectbegroting moet  daarbij naar de effectieve ontharding en kwalitatieve klimaatrobuuste groene herinrichting gaan.

Invoegen document projectbegroting
 

Selectie en beoordeling van de projecten

De ingediende voorstellen wordt getoetst aan de algemene en bijkomende voorwaarden, opgesteld door het Departement Omgeving. Deze zijn terug te vinden in het bijhorende reglement:

De aanvragen voor een proeftuin ontharding ‘school en omgeving’ worden door een jury, bestaande uit leden van het Departement Omgeving, externe experten en ervaringsdeskundigen, beoordeeld op basis van de volgende evaluatiecriteria:

  • de bijdrage van de proeftuin ontharding aan de effectieve afname van de (netto) verharde oppervlakte of oppervlakte met harde bestemming, in effectieve oppervlakte of procentueel binnen het gehele project; 
  • het innoverende en voorbeeldstellende karakter van de proeftuin ontharding: de kwaliteit van het project, het inspirerend of lerend vermogen van het concept of ontwerp, bijvoorbeeld op vlak van klimaatrobuuste heraanleg, het collectieve karakter, de manier waarop de ruimere schoolomgeving ruimtelijk wordt geïntegreerd in het project, het openstellen van de speelplaats voor de omgeving, meervoudig of gedeeld ruimtegebruik, innovatieve omgang met materialen, participatie in het ontwerpproces of  vernieuwende organisatie van het beheer;
  • de strategische waarde van de proeftuin ontharding op vlak van haar positionering in de bebouwde omgeving en rol binnen een grotere visie rond ontharden, gebiedsgericht of uitgedragen door de school. De manier waarop het project (direct en indirect) een positief effect heeft op het klimaat, de klimaatrobuustheid van de omgeving (o.a. hitte-effecten en CO2-opslag) of de leefbaarheid (incl. luchtkwaliteit), verkeersveiligheid of duurzame energietransitie of voedselproductie; de verhouding tussen de projectkosten en de ruimtelijke, sociaalmaatschappelijke en ecologische baten; en de mate waarin het project zorgt voor meer toegankelijk en beleefbaar groen in een bebouwde of natuurarme omgeving;
  • het katalysator- of multiplicatoreffect van de proeftuin ontharding: de mate waarin en de manier waarop het project een impuls geeft aan nieuwe onthardings- of vergroeningsinvesteringen in de ruimere omgeving; of de herhaalbaarheid van de proeftuin wanneer deze met een minimum aan aanpassingen door een andere school of op een andere locatie kan uitgevoerd worden, bijvoorbeeld door specifieke leereffecten die worden beoogd en/of inzet op ervaringsuitwisseling met andere scholen;
  • de bijdrage van het project aan de opbouw van een onthardingscultuur en -ondernemerschap en de noodzakelijk omslag in het ruimtegebruik: het stimuleren van (structurele) samenwerking en/of coalitievorming rond ontharding, het participatieve en educatieve karakter van het project, bijzondere communicatie-initiatieven of het betrekken van meerdere actoren en de omliggende buurt in het project. 

Als er onvoldoende financiële middelen ter beschikking zijn voor de positief beoordeelde projecten, of bij gelijke score, worden de volgende extra criteria mee in overweging genomen:

  1.  de diversiteit van de projecten 
  2. de regionale spreiding van de projecten 
  3. de zichtbaarheid van het project


Ondersteuning

In het eerste jaar voorziet het Departement Omgeving voor de geselecteerde projecten in samenwerking met externe experten een overkoepelende begeleiding op vlak van:

  • communicatie en participatie
  • proces en ontwerp
  • juridische, financiële en instrumentele aspecten

De doelstelling van dit overkoepelend onthardingstraject is het bevorderen van kennisuitwisseling en -opbouw tussen de verschillende projecten met het oog op het uitbouwen van een leertraject voor zowel de initiatiefnemers als het Vlaamse ruimtelijk beleid. Hierbij worden de aanvragers van de geselecteerde projecten ondersteund bij de kwaliteitsvolle uitwerking ervan en bij de organisatie van gestructureerde communicatie. 

De aanvrager engageert zich ertoe actief deel te nemen aan dit onthardingstraject en de workshops die in dit kader worden georganiseerd. Hij levert hiervoor informatie en materiaal aan als input voor het overkoepelend en lokaal communicatie- en participatietraject.

Tijdens het tweede en derde jaar wordt het begeleidingstraject verdergezet via een kwaliteitskamer en een doorlopend overkoepelend communicatiespoor.

Online aanvragen

Subsidie aanvragen niet meer mogelijk.

Contacteer ons